Een tijdje geleden verscheen een interessant boek van de hand van de schrijver en essayist Pankaj Mishra. Het heet: “Age of Anger”, a History of the present”. Volgens Mishra buigt op dit moment in de geschiedenis iedereen die serieus wil nadenken over politiek zich wereldwijd over dezelfde thema’s.

Hoop in “Age of anger”

(door: Dick Couvée)

Een tijdje geleden verscheen een interessant boek van de hand van de schrijver en essayist Pankaj Mishra. Het heet: “Age of Anger”, a History of the present”. Volgens Mishra buigt op dit moment in de geschiedenis iedereen die serieus wil nadenken over politiek zich wereldwijd over dezelfde thema’s. Over burgers die zich niet gezien voelen door hun parlement, over regeringen die niet weten hoe ze met vluchtelingen en vreemdelingen moeten omgaan, over overheden die in feite volkomen machteloos staan tegenover de enorme macht van de grote, transnationale ondernemingen. Je ziet het in Frankrijk met de protesten van de gele hesjes, je ziet het met het rampzalige gedoe rond Brexit, je ziet het inmiddels bijna overal. Een boos volk trekt vol onbehagen naar de stembussen. Allemaal mensen die zeggen, dat ze schoon genoeg hebben van de regerende klasse, die vooral goed voor zichzelf zorgt, maar heel slecht voor de rest van de samenleving, vooral voor de mensen aan de onderkant. En dus kiest dat volk voor een sterke man, die het land “great again” maakt. Die belooft, dat wij mensen zullen krijgen wat wij zijn kwijt geraakt. Dat scenario heeft zich de afgelopen tijd afgespeeld in Amerika, in Franrijk, in Turkije. Wellicht ook in Nederland. De Trumps, de Macron’s, de Erdogans, de Baudet’s van deze wereld, ze beloven ons gouden bergen. Een herboren, nationaal kapitalisme, nog altijd gebaseerd op een vrije markt, dat gaat het doen. Het echte gesprek zullen we met dat alles nooit gaan voeren. Het gesprek over een volkomen buiten humane en morele grenzen gegroeid kapitalistisch systeem, dat in belangrijke mate verantwoordelijk is voor de vaak terechte woede in onze samenlevingen. Ondertussen hebben we het steeds maar over iets anders. Niet over onszelf. Maar over anderen, de zondebokken: de vluchtelingen, de Oost-Europeanen, de Europese Unie, het almachtige Brussel. Die hebben het gedaan. Steeds maar niet over de echte vragen. Wat maakt ons mensen mens ? Hoe richten wij vervolgens onze samenlevingen menselijk in ? Die vragen aan de orde stellen betekent leiderschap, werkelijk leiderschap. En juist daaraan ontbreekt het nu zo vaak.

Wat te doen, dus ? De overheid trekt zich terug, laat ons in de steek. Het grote bedrijfsleven is met zichzelf bezig, laat ons ook in de steek. Het woord is weer aan ons. Wij, mensen, burgers. Wij nemen zélf de leiding. En wij gaan “leven alsof niet”. “Leven alsof niet”. De uitdrukking komt van de apostel Paulus in zijn eerste brief aan de Korinthiërs. Wij maken zelf de samenleving tot een vrijplaats waar wij mensen zelf aan bod komen. Je weet, dat de overheid en de markt bestaan, je houdt er rekening mee. Maar je leeft, alsof zij niet bestaan. Wij gaan zelf nieuwe, warme steden bouwen, waarin mensen tellen. Elk mens. Wij, mensen, burgers, kunnen niet zomaar het beleid en de macht van overheid en markt veranderen. Maar wat wij wel kunnen – die vrijheid hebben we eigenlijk altijd – dat is de dingen gewoon niet of anders doen: “leven alsof niet”. Martin Buber pleit in zijn boek “Pfade in Utopia“ voor een principiële opstelling van ons mensen om de verhoudingen tussen de mensen onderling gewoon zelf te veranderen. Wij hoeven ons niet steeds te laten ringeloren door wat de overheid met ons wil: nette, brave, gedisciplineerde burgers. Wij hoeven ons niet te laten ringeloren door wat de markt van ons wil: slaafse consumenten die geld uitgeven. Wij hoeven ons niet te laten ringeloren door het ideaalbeeld van ons als zelfredzaam individu, dat alles op zijn eentje kan en moet en anderen niet nodig heeft. Het gaat om het soort macht en de kracht van de kleine druppel die steeds valt en zo de grote steen uitholt. Ik geloof enorm in de kracht van onze voortdurend volgehouden kritiek op het bestaande. Met Albert Camus kan je zeggen, dat het niet gaat om een revolutie, maar wel om een revolte, een opstand. Het is wat ik voel, als ik op dat lelijke Schouwburgplein midden in Rotterdam ben op een mooie, zonnige dag. Daar creëren wij, de mensen, zittend, lopend, pratend, lachend, zoenend, uit eigen beweging, zonder opdracht of leiding of controle of beheersing door wie dan ook, op veel momenten die bijzondere sfeer van gemeenschappelijkheid over onze verschillen heen, die naar meer doet smaken. Zo’n soort stad, zo’n soort samenleving, voortdurend samen dat soort plaatsen en momenten creëren in de publieke ruimte, veel meer dan nu, daar gaat het om. Dan wordt waar wat de profeet voor ons als mogelijk voor zich ziet: “Op Israëls bergen zullen zij rusten op groen grasland en in een grazige weide”.